De gave van Geloof

DE GAVE VAN GELOOF

Door Elisabeth Hoekendijk La Riviéra

Wanneer wij spreken over de gave van geloof dan wordt niet bedoeld het geloof tot redding, waardoor wij gerechtvaardigd worden, zoals onder meer staat in Rom. 5 : 1 en Gal. 3 : 8. Maar het is één van de negen gaven van de Geest waardoor wij geloven kunnen dat het fantastisch onmogelijke zal gebeuren en ook, om dit geloof aan anderen mede te delen. Jezus Bij de Here Jezus zien wij deze gave in werking b.v. toen Hij de vijgenboom vervloekte met de woorden: “Nooit ete meer iemand vrucht van u in eeuwigheid!” (Marc.11 : 14b). De volgende morgen was de boom van de wortel af verdord. Wanneer de discipelen daarover verwonderd zijn, zegt Jezus: “Hebt geloof in God” (Hebt het geloof van God – Grieks). (Marc. 11 : 22b). Het geloof van God is: spreken en het is er, gebieden en het staat er; het is het geloof waardoor hemel en aarde zijn geschapen. “Voorwaar, Ik zeg u, wie tot dezen berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.” (Marc. 11: 23).

Hier leert de Heer ons hoe wij de gave van geloof moeten gebruiken. Het is: geloven, zonder twijfel, dat wat wij uitspreken zal gebeuren. Evenzo wanneer wij om iets bidden, dan zullen wij geloven dat wij het hebben ontvangen. “Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal u geschieden.” (Marc. 11 : 24). Wij gaan dus de Heer danken, loven en prijzen voor datgene wat wij van Hem gevraagd hebben en Hij doet het ons toekomen. Door lofprijzing en gejuich zijn de muren van Jericho gevallen. Petrus Bij de genezing van de man die van zijn geboorte af verlamd was, zien wij hoe Petrus de gave van geloof gebruikt op dezelfde wijze, zoals Jezus het heeft geleerd. “Wat ik heb geef ik u; in den naam van Jezus Christus, den Nazoreeër: Wandel! En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig, en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen den tempel binnen, lopende en springende en God lovende.” (Hand. 3 : 6b-8). Petrus zegt dat hij iets mededeelt wat hij zelf bezit. Hij deelt de opstandingskracht van Jezus mede, in geloof, door het uitspreken van een woord. Hij geloofde dat wat hij uitsprak zou gebeuren, en het gebeurde.

Jozua

Op dezelfde wijze deed Jozua één van de grootste wonderen die ooit gebeurd zijn. Hij sprak: “Zon, sta stil te Gibeon en gij, maan, in het dal van Ajalon! En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijanden gewroken had. – De zon nu bleef staan midden aan den hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een vollen dag. Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de Here zo iemands stem verhoorde, want de Here streed voor Israël.” (Joz. 10 : 12 -14).

Elia

De gave van geloof geeft ook moed om iedereen uit te dagen, om het wonder dat God gaat doen, te komen zien. Dit zien wij bij Elia, als hij Achab, geheel Israël en de profeten van Baäl uitdaagt, wanneer hij het vuur van de hemel gaat bidden, om het volk tot God terug te voeren (1 Kon. 18 : 18- 24). Hetzelfde doen wij ook, wanneer wij de zieken in de samenkomst uitnodigen naar voren te komen voor genezing. Wij nodigen iedereen uit om toe te zien naar de wonderen die God gaat doen. Wij geloven dat de zieken zullen genezen. Wij brengen ze soms vlak bij de microfoon, zodat iedereen zal kunnen horen, als zij het wonder van hun genezing gaan vertellen. Nog sterker is dit als de zieken worden bediend voor radio of televisie. Dit is geloofsuitdaging, de gave van geloof in werking. Elisa Door zijn knecht laat Elisa zeggen tot Naäman, de melaatse: “Ga heen en baad u zeven maal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn.” (2 Kon. 5 : 10). Zoals de profeet het gesproken had, zo gebeurde het ook. De bloedvloeiende vrouw Een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had, geloofde voor genezing. “Want zij zeide: Indien ik slechts zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn. En terstond droogde de bron van haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was.” (Marc. 5 : 28).

De Romeinse hoofdman

De Heer zegt van de Romeinse hoofdman dat hij een groter geloof heeft dan iemand in Israël. Hij zei tot Jezus: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.” (Matth. 8: 8b). Dan antwoordt Jezus: “Ga heen, u geschiede naar uw geloof. En de knecht genas, juist op dat uur.” (vers. 13).

Jairus

Toen het dochtertje van Jairus gestorven was, had Jairus geloof en hij vraagt aan Jezus: “Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven.” (Matth. 9 : 18b).

Het is de moeite waard om te lezen in Hebr. 11 wat de geloofshelden door hun geloof hebben gedaan. Toch verwacht de Heer van ons nog grotere werken. “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voorhad.” (Hebr. 11 : 39). Wij hebben wel het beloofde verkregen nl. de belofte des Vaders, de vervulling met de Heilige Geest. Dit is het betere, het meerdere, wat ons geschonken is, waardoor wij “tot de volmaaktheid” worden geleid (vers. 40). Het plan van God met ons is veel groter dan wij ooit hebben geweten, maar het is alles door geloof. Het is ons geloof dat de wereld overwint (1 Joh. 5: 4). De andere zijde van de gave van geloof is het mededelen van geloof aan anderen. Bij alles wat wij doen en spreken, is het noodzakelijk, steeds deze werking van de gave van geloof uit te oefenen. Bij ons prediken, getuigen en zingen, moet alles gericht zijn op de opbouw van het geloof in anderen.

Velen menen dat de Here Jezus zijn wonderen en tekenen deed, ongeacht of ter plaatse geloof was of niet. Maar dit is niet zo; waar ongeloof was daar kon zelfs de Heer niet veel doen. “En Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof.” (Matth. 13: 58). “En Hij kon daar geen enkele kracht doen … En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof.” (Marc. 6: 5, 6). Wanneer er een vader met een bezeten jongen bij de Here Jezus komt, die geen geloof heeft, dan zien wij hoe Jezus door juist gekozen woorden het geloof in het hart van de vader werkt. “Jezus zeide tot hem: Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.” (Marc. 9: 23).

Bij de Kananese vrouw beproeft Hij het geloof door haar niet direct te antwoorden. Uit het gesprek blijkt hoe zeker zij is dat de Heer haar helpen zal. Dan antwoordt Jezus tenslotte: “O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.” (Matth. 15 : 28). Bij twee blinden die tot Jezus komen stelt Hij de vraag: “Gelooft gij, dat Ik dit doen kan?” (Matth. 9 : 28b). Wanneer zij Hem dan antwoorden: Ja, Here, dan zegt Hij: “U geschiede naar uw geloof.” (vers. 29). Dit is een vraag die wij ook dikwijls stellen: “Zou Jezus u kunnen genezen?” Deze vraag geeft meestal geen moeilijkheden: “Ja, de Heer is machtig.” Maar als wij dan nog een tweede vraag stellen: “Zou Jezus u ook willen genezen?” Dan wordt dikwijls twijfel en ongeloof openbaar. Zou de Heer het wel willen? Het “Uw wil geschiede” wordt veelal aangewend als een wapen tegen het geloof. Wanneer wij dan uit Gods Woord hebben duidelijk gemaakt dat de Heer niets liever wil dan de zieken genezen, dan is dikwijls nog een derde vraag nodig: “Wil de Heer u nu genezen?” Ook de vrome houding van: “Ja, op Gods tijd,” is een list van de satan waardoor de zieke geen geloof kan oefenen.

Al bijna tweeduizend jaar is het de dag der genade, waarin de Heer wil verlossen, bevrijden en genezen. “Zie, nu is het de tijd des welbehagens, zie, nu is het de dag des heils.” (2 Cor. 6 : 2b). Dikwijls laten wij de zieken zelf een woord uit de bijbel noemen, waaruit blijkt dat zij op Gods Woord vertrouwen voor hun genezing. “Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn.” (Hebr. 11 : 6). En zonder geloof zullen wij niets van Hem ontvangen. Door voorbeelden en door anderen van hun genezing te laten getuigen, gebruiken wij de gave van geloof, om het geloof in anderen te doen rijzen. Bij de verlamde aan de tempelpoort, brengt Petrus eerst de man zover, dat hij verwacht iets te zullen ontvangen, iets meer dan een aalmoes. “Zie naar ons. En hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te ontvangen.” (Hand. 3: 5).

Door de gave van geloof trachten wij elke zieke het besef bij te brengen dat het voor de Almachtige God, Schepper van hemel en aarde iets gerings is om hem of haar te genezen en dat Hij het ook graag wil doen, want daarin wordt Zijn Naam verheerlijkt. Ook de openbaringsgaven gebruiken wij, om door het noemen van de ziekten en noden, die de Heilige Geest ons openbaart, het geloof op te bouwen en de Heer zo vele grote, bovennatuurlijke dingen door Zijn knechten kan doen.

One Comment Add yours

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s